TbT 26-okt-2017

Throwback Thursday to 1992 – 26 oktober 2017

“DENK VOORAL niet te min over studentenorkesten…” kopte Het Parool op 18 augustus 1992. In een uitgebreid artikel werden Daan Admiraal en collega Vincent de Kort (toenmalige dirigent van het Sweelinckorkest) geïnterviewd over hoe dat er nou allemaal aan toe gaat bij zo’n studentenorkest. Sommige dingen zijn hetzelfde gebleven (onze leden zijn nog steeds bijzonder intelligent) en andere dingen zijn gelukkig ook veranderd (we hebben uit betrouwbare bron vernomen dat het Sweelinckorkest tegenwoordig een prachtige eigen paukenset tot haar beschikking heeft). Veel leesplezier!

Artikel, Het Parool 1992

Het Parool August 18, 1992 DENK VOORAL niet te min over studentenorkesten. … BYLINE: BAS VAN PUTTEN SECTION: Pg. 7 LENGTH: 1451 words DENK VOORAL niet te min over studentenorkesten. Het Asko-ensemble, nu een van ’s werelds belangrijkste ensembles op het gebied van de nieuwe muziek, bestond van oorsprong uit studenten. De symfonie-orkesten van de Universiteit van Amsterdam en de Vrij Universiteit zullen uit de aard der zaak waarschijnlijk amateurorkesten blijven, maar maken toch zo’n snelle professionalisering door, dat een Zevende symfonie van Bruckner, een Vierde van Mahler en een Requiem van Verdi in de laatste tien jaar binnen bereik zijn gekomen. De zichtbare voorliefde voor de laat-romantiek is niet alleen een kwestie van tomeloze ambitie, maar ook van rechtvaardigheid, want bij de relatief schaarse optredens dienen uiteraard alle musici optimaal aan hun trekken te komen. En dat zijn er veel: het UvA-orkest is inmiddels tachtig man sterk en het VU-orkest is met 104 musici bij machte elke megalomane muzikale fantasie te bevredigen. Dat doet het dertig jaar oude orkest, net terug van een jubileumtoernee naar Denemarken, met graagte. De geheel uit orkestleden bestaande programmacommissie van het VU-ensemble gaat geen zee te hoog, zodat dirigent Daan Admiraal de grenzen af en toe scherp in de gaten moet houden: ” De neiging bestaat, alleen maar topstukken voor te stellen. En dan wordt het soms echt te veel. Ons laatste programma was een tour de force. Eerst die hondsmoeilijke Symphonic transformations van Tristan Keuris, dan het Tweede pianoconcert van Bartok en ten slotte de Vijfde symfonie van Prokofjev.” Admiraal, voormalig hobost en op jonge leeftijd veilig opgenomen in de schoot van het Nederlandse orkestenbestel, werd halverwege de jaren zeventig plotseling nerveus bij de gedachte, de rest van zijn leven te moeten slijten als orkestmusicus. Hij schreef zich in als student orkestdirectie en belandde in 1975 bij een VU-orkest dat met twintig musici op sterven na dood leek, en hem als beginnend kapelmeester nauwelijks speelruimte bood. Want het werken met amateurs is in eerste instantie een weliswaar dankbare, maar vooral moeizame aangelegenheid, zegt hij nu.” Bij een beginnend amateurensemble ben je de eerste tijd vooral bezig de dingen op de rails te zetten. Als ze geen tempogevoel hebben, geen discipline en geen klankcultuur, kom je aan de muziek nauwelijks toe. Je moet ontzettend oppassen dat je geen ontoelaatbare concessies gaat doen. En als het niet tempovast is, moet je oppassen dat je niet zo’n militaire, starre kapelmeestersslag ontwikkelt, en niks anders doet dan streng de maat slaan. ” Bovendien wist ik als hoboist niks van strijkers. En de bezetting was zo klein, dat we voor het eerste concert hobo’s en hoorns moesten inhuren. Gelukkig is de situatie heel snel verbeterd. Tijdens het tweede concert kwamen de nieuwe leden zich al in de pauze aanmelden.” Vincent de Kort heeft vergelijkbare ervaringen, maar constateert dat het werken met amateurs voor een beginnend dirigent ook grote voordelen heeft.” Je kunt volop experimenteren, en je kunt fouten maken die bij een beroepsorkest niet zo snel zouden worden geaccepteerd. Ik heb voor Forum Filharmonisch gestaan, en daar merk je in het begin wel dat ze ontzettend de kat uit de boom kijken.” Laten komen Jonge orkestleiders moeten, concludeert hij, vooral een autoriteitsprobleem overwinnen.” Het goeie van een amateurorkest is dat het je de gelegenheid biedt als beginnend dirigent je autoriteit op te bouwen. Ik denk dat geen mens van nature een leider is: je merkt na verloop van tijd dat autoriteit niet een kwestie is van macht uitoefenen, maar van loslaten, van laten komen. Aanvankelijk wil je alles onder controle houden.” Om het contact tussen dirigent en orkest in goede banen te leiden, is volgens De Kort psychologisch inzicht een eerste vereiste.” Je leert bij voorbeeld dat strijkers andere mensen zijn dan blazers. Bij strijkers moet je veel meer voor schoolmeester spelen. Die willen geleid worden. Blazers daarentegen zijn hyperindividuele mensen: die moet je dus geheel anders benaderen.” Is dat felbevochten machtsevenwicht eenmaal een feit, dan krijgt de muziek opeens vrij spel: ” Het leuke met een amateurorkest als dit is: het is een onbeschreven blad. Alles wat je er in stopt, komt er uit. Vorig jaar deed ik mijn eerste symfonie van Mahler: de Vierde. Toen ik achteraf naar het bandje luisterde dacht ik he, er zijn momenten waarop het klinkt zoals ik het bedoelde.” Hij kijkt tevreden voor zich uit. Beide orkesten groeien, en hoeven tegenwoordig nog maar zelden een beroep te doen op buitenstaanders als free-lancers en conservatoriumstudenten. Bij het UvA-orkest is 95 procent van de musici afkomstig uit het universitaire circuit en het VU-orkest, zegt Admiraal, kan de toestroom van muzikale intellectuelen zelfs nauwelijks verwerken: ” We zijn echt reusachtig. Voor de meeste strijkersgroepen hebben we een stop moeten instellen.” Behalve dan voor de sectie contrabassen, die ook bij het Sweelinck-orkest af en toe voor problemen zorgt. De Kort: ” We hebben zes contrabassisten, maar als een van die jongens plotseling een half jaar naar China gaat, ja, dan heb je er een minder.” Een probleem in studentenorkesten is per definitie het relatief grote verloop, maar dat blijkt de ontwikkeling van een ‘klankcultuur’ in de praktijk niet in de weg te staan. De Kort: ” Ik ben heel erg gefixeerd op de klank van het orkest, en dat begint vruchten af te werpen. Soms zijn dingen moeilijker dan ze bij een beroepsorkest zouden zijn geweest. In de finale van Sibelius’ Eerste symfonie, die we vorige maand uitvoerden, zitten twee lastige fuga’s waar het orkest echt voor op de tenen moest gaan staan. Dan pas ik me dus aan. Maar ik kom wel degelijk aan de essentie van de muziek toe. Het duurt misschien alleen wat langer, want ik denk dat we in elk concert toch wel een stuk of twaalf repetities investeren.” Admiraal heeft in het spelpeil van zijn orkest steeds meer vertrouwen gekregen: ” Als ze op hun best zijn, dan zijn ze beter dan een regionaal beroepsorkest in gemiddelde vorm. Ik heb soms echt het gevoel dat ze de bedoelingen van de componist volkomen hebben doorgrond. En sinds een jaar of vijf, zes is dit orkest in staat ook lange melodische lijnen te spelen, wat altijd een belangrijke indicatie is voor de kwaliteit. En verder hangt het gewoon van het stuk af welke problemen je tegenkomt. Die Symphonic Variations van Keuris is een legpuzzel. Je kunt niet lekker doorspelen. Je moet al die kleine stukjes eindeloos repeteren. Dan rijzen er spanningen.” Onoverkomelijk zijn die spanningen vrijwel nooit, want de orkestleden koesteren het adagium noblesse oblige en de kater is groot, als ondanks de grondige voorbereiding tijdens concerten onverhoopt pijnlijke steken vallen. De Kort: ” Het zijn geweldige perfectionisten. Ze zeuren soms over details waaraan ik helemaal niet zoveel waarde hecht. Soms geven we een geweldig concert in een fantastische sfeer, en dan hoor je het orkest klagen over de fouten.” Admiraal: ” Dat heeft dan wel weer het voordeel dat iedereen zich de eerstvolgende keer wil revancheren.” Lastig Het is een zegen, om met zulk gemotiveerd personeel te kunnen werken, erkent Admiraal.” Ze zijn in zoverre lastig dat ze me van repliek dienen. Ik zeg altijd: jullie zijn het intelligentste orkest van Nederland. Profmusici worden in de eerste plaats geselecteerd op hun instrumentale vaardigheden, maar deze studenten ook nog eens op hun hersens. En dat merk je. Ze gaan snel met je in de contramine, niet om je te pesten, maar gewoon omdat ze verzot zijn op het debat. Alleen: als ik me opwind, weten ze niet altijd het onderscheid te maken tussen pedagogisch boos en echt boos. Dat is wel eens problematisch.” En een studentenorkest blijft ook logistiek een studentenorkest, zegt De Kort: ” Een van de redenen waarom ik het jaarlijkse aantal van twee programma’s wil opvoeren tot drie, is dat ze toch altijd de neiging hebben het studeren tot het laatst uit te stellen. Dan wordt de druk toch wat groter en dat lijkt me prima. Of ik vaak uit mijn slof schiet? Ach, je moet er bij een studentenorkest rekening mee houden dat op de generale de pauken opeens niet aanwezig blijken te zijn, of dat een paar musici gewoon niet komen opdagen. Dan krijg ik dus de pest in, ja.” De twee Amsterdamse univer siteiten, UvA en VU beschik ken elk over hun eigen symfo nieorkest: het UvA-orkest J. Pzn Sweelinck, sinds drie jaar geleid door Vincent de Kort en het VU-orkest, al zo’n zeventien jaar het vaste orkest van Daan Admiraal. Beide ensembles zijn de afgelopen jaren sterk in omvang gegroeid en draaien voor het grote roman tische orkestrepertoire de hand niet meer om. De chefs aan het woord.